Tekening Paul v Kan

‘Ik ben mezelf kwijt’, zegt Karin. Ze zit in mijn praktijk, een beetje ineengedoken, benen over elkaar. ‘Ik leef in mijn hoofd. Ik heb al zoveel geprobeerd. Ik weet het niet meer.’

Ze zucht en kijkt me hoopvol aan. ‘Kan jij me helpen?’

Ik kijk naar haar ogen. Ze lijken gespannen, zoekend. Alsof het licht uit is. Ze stralen niet.
Ik zie haar houding. Schouders hoog, adem oppervlakkig.

Op mijn uitnodiging gaat ze liggen op de massagebank. Eerst even niks. Landen in het lijf. Ontvangen. Ik dek haar toe met warme lappen.

‘Je mag er gewoon zijn. Gewoon hoe het nu is. Je hoeft niks te begrijpen, te verklaren of te veranderen nu. Dat is je uitgangspunt’, zeg ik haar.

Ze vindt het moeilijk. Lichaam en geest staan volledig in de doe-stand. Zelfs het idee te moeten ontspannen, kan bijna een paniek veroorzaken. Ze weet niet meer hoe het moet, gewoon zijn.

‘Het geeft niet’, zegt mijn hart. ‘voel maar’, zeggen mijn handen.

Woorden zouden haar alleen maar verder van huis brengen. Verder weg van het voelen. Verder weg van gewoon maar zijn.

Ineens stel ik toch een vraag:
‘Stel je eens een toneel voor. Op dat toneel komen 2 spelers. K1 en K2.
K1 is een karikatuur van hoe het nu voelt, dus de Karin die je niet langer wil zijn.
K2 is het beeld van een Karin die leeft vanuit de flow. Een Karin in een omgeving die haar inspireert. Een Karin die haar passie leeft en daardoor anderen ook weer inspireert.’

Die vraag heb ik niet bedacht. Ze kwam zomaar omhoog. Ik zag het voor me, voor de vraag kwam.

Na een korte stilte lacht Karin luid. ‘Hahaha…’
Ik schrik ervan en lach vanzelf mee.

‘En? Wat zie je’

Die eerste Karin zit ineengedoken zit in een kluwen, helemaal vast en in de knoop. Handen in het haar. En dan komt die tweede en die danst als een sjamaan er omheen, met linten en kleuren.

‘Je moet gewoon leven’ zegt ze. En ze tovert met haar linten een figuur van een kind.’

Nu blijft het een poosje stil. De energie in de kamer verandert. Ik ervaar een soort heilige ruimte.

Ik zit bij haar voeten en voel. Mijn handen zijn enkel nog waarnemend aanwezig.

Karin ademt diep. Er komt een glimlach.

‘Het is zo eenvoudig’, zegt ze ineens. Je moet gewoon zijn. Alles is er al.’

Weer is het stil. Haar woorden weerklinken in mijn gevoel.

Als we napraten lachen we.
Wat kan een mens toch gevangen raken in het idee van alles wat moet, wat goed moet en zo.

En ik ben eigenlijk zo’n leuk mens’, zegt ze tenslotte.
‘Ja he’, glimlach ik. ‘Heel gewoon leuk.’

Schilderij Anny Coppen
(Conny’s moeder)